Stel dat je dat ene steegje inslaat. Dat steegje met naar voren hellende oude geveltjes en deuren met kloppers. Je bent er de enige, want bij niemand anders komt de gedachte op dit donkere straatje in te gaan. Het geluid van je voetstappen weerkaatst tegen de muren, je gaat een ongelijk trapje af. Als je naar je kleren kijkt zie je dat je spijkerbroek een bruine, lange rok is geworden met een wit schort ervoor, kraakhelder gek genoeg. Je jas is nu een groen met bruin geruite omslagdoek en je rugzak een mand.
Je stapte zo de 19e eeuw in en je vindt het er best. Een kroeg die er gezellig uitziet trekt je aandacht. Kunnen vrouwen daar alleen naar binnen? Door het raampje zie je mensen dansen, drinken en zingen. Het enige licht komt van een groot haardvuur aan de wand. Het pandje naast de kroeg is een snoepwinkel, er komen net twee jochies uit. Of eigenlijk schoffies, allebei met een bruine te grote pet op. Voor je voeten schiet een muisje weg, op weg naar de korsten brood die aan de zijkant liggen. Het ruikt er naar vocht en rotte radijsjes. En het rare is, je vraagt helemaal niet af waar de uitgang is.